Elk jaar wordt tijdens de Paaswake in onze kerken de nieuwe Paaskaars ontstoken. Deze symboliseert het licht van de verrezen Christus die de duisternis en het kwaad heeft overwonnen.
Het ontwerp van deze paaskaars toont een kruisbeeld opgemaakt uit contouren. De binnenkant is leeg, net zoals het lege graf (Joh. 20, 1-13) of zoals de ruimte van een kloosterpand in de monastieke traditie. Willen wij God de kans geven zich aan ons te openbaren, dan moeten we er ons voor hoeden alles zelf te willen invullen (zoals de rijke jongeling, Mt. 19, 16-30), dan moeten we ons telkens weer vrij maken, ‘leeg’, en ruimte geven aan het onverwachte. We moeten leven met ogen en oren open (cf. Mt. 13, 16).
De contouren zijn op drie plaatsen onderbroken, verwijzend naar de drie wegen waarlangs God zich aan ons laat kennen: Vader, Zoon en Geest. De onderbrekingen zijn bovendien subtiel. God is immers waarneembaar als een zachte bries (1Kon. 19, 9-16) en de deur naar het ware leven is smal (Mt. 7, 13,14). Willen wij God ontmoeten en de vreugde van het evangelie leren kennen, dan moeten we het aandurven stil te vallen en in onze waarheid – onze armoede, kwetsbaarheid – te gaan staan. In de stilte spreekt God, te midden van onze zwakheid breekt zijn kracht door (2Kor. 12, 1-10), Hij openbaart zijn wijsheid aan eenvoudigen (Mt. 11, 25-30; Mt. 5, 3) en aan wie oprecht zijn van hart (Mt. 5, 8).
De kleuren in het ontwerp tenslotte verwijzen naar de kleuren van het liturgische jaar en suggereren de regenboog uit het
oudtestamentische verhaal van Noach (Gen. 9, 12). In alle leegte die we in het leven ervaren, mogen we op Gods belofte
vertrouwen: Hij was, is en blijft aanwezig. Hij omringt ons, omarmt ons, draagt ons. En Hij bezielt ons – de onderbrekingen doen ook aan vlammen denken – opdat we uit onszelf zouden breken en de weg zouden gaan die Hij ons wijst (Gen. 12, 1-9), de ander tegemoet.
(priester Nikolaas)

