Otheo maakte een zonnige wandeling door de stad Oostende, op zoek naar plaatsen die je even laten stilstaan. Wandel je mee?
De wachtende vissersvrouwen voor het stationsgebouw van Oostende vormen het startpunt van deze ‘weg naar binnen’. De 5 bronzen beelden van August Michiels die berustend, hoewel nooit zwaarmoedig op een bankje zitten, brengen meteen inspiratie op deze tocht. Ik blijf kort staan bij de eeuwig geduldige figuren en sla het gekriebel gade op het plein.

Onderweg naar de binnenstad kom je voorbij de IJslandvaarder Amandine, een voormalige vissersschuit die nu ingericht is als museum over de visserij. Ik laat het schip rechts liggen en zet koers naar de Sint-Petrus en Pauluskerk. Dat is een opvallend gebouw in neogotische stijl uit 1908 met een bijzondere, toeristische aantrekkingskracht. Terwijl de zon de gotische architectuur extra in de spotlights zet, blijkt de binnenkant van de kerk een stuk donkerder te zijn ingericht. Mij valt meteen een bijzonder brandglas op, waarop de tekst het belang duidt van Oostende als vissersstad: “Het aloude gebruik de boze krachten van de zee te bezweren, werd vervangen door de zegening van de vissers die met hun boten naar de geul stevenden. De priester begeeft zich nu, omringd door de notabelen en de bevolking van onze stede, in stoet naar de dijk om Gods zegen over de mensen van de zee en hun werk af te smeken.”

Achteraan ontdek ik een bescheiden expo die leert dat hier vroeger een andere kerk stond: de Sint-Pieterskerk. Na een brand in de zomer van 1896 bleef enkel de achthoekige toren over, in de volksmond bekend als de Peperbusse. In opdracht van Leopold II, een naam die op de route nog een paar keer zal opduiken, verrees vlak ervoor de Sint-Petrus en Pauluskerk, een veel flamboyanter bouwwerk dat paste in het mondaine imago dat de koning de stad wilde aanmeten. Loop zeker een rondje langs de kerk, want dan stuit je achteraan op die Peperbusse en ervaar je voluit het verschil tussen de oude en nieuwe kerk. Daar zie je ook de zeshoekige kapel, als aanbouw aan de grote kerk, met het – weliswaar lege – praalgraf van Louise-Marie, de moeder van Leopold II en de eerste koningin van België. De kapel is een eerbetoon, want haar echte graf bevindt zich in Laken.

In de Kaaistraat passeer ik voorbij Schol: een ontmoetingsplaats van vzw Ithaka uitgebaat door mensen met een beperking. In de gezellige, no nonsense bar kan je op adem komen met een koffie, een zelfgemaakt kleinigheidje kopen of deelnemen aan een workshop.
Vanuit Schol wandel ik naar de Kapucijnenkerk. Meteen wordt duidelijk waarom dit de kerk was van de zeelui en de ‘gewone mensen’. Van grandeur is hier niks te merken. Ook het interieur van de kerk is eenvoudig, maar net die kleinheid blijkt een open uitnodiging om plaats te nemen en de stilte te laten bestaan. De maquettes van de visserssloepen bewijzen hoe belangrijk de kerk was en is voor de gewone mensen. Vissersvrouwen kwamen massaal bidden voor een behouden thuiskomst van hun mannen op zee.

Een wandeling door Oostende zou niet compleet zijn zonder de zee te zien. Daarom gaat de route verder naar het Zeeheldenplein, waar het Nationaal Monument voor de Zeelieden een veelbesproken contrast vormt met het moderne kunstwerk van Arne Quinze. Zijn rode, verfrommelde blokken geven een kleurrijk antwoord op de grijze stad, maar de meeste Oostendenaren zagen ze liever niet verschijnen. Een paar meter verder kijkt een zeeman vanop een hoge stenen zuil vastberaden uit over de zee en de uitvarende schepen, zijn blik gericht naar de toekomst. Aan de voet van het monument zit dan weer een treurende zeeman, rouwend om het verlies van zijn makkers. Het tafereel staat op de plek van de eerste vuurtoren van Oostende. Elk jaar op paasmaandag herdenkt en huldigt men hier de vissers en zeelui die hun leven lieten op het water. In elk geval is het Zeeliedenplein, voornamelijk door zijn uitgestrekt karakter, een erg fijne plaats om te vertoeven. De zee lonkt, maar hou even halt om het plein in je op te nemen.


Op zonnige dagen kan je ze bijna zien liggen vanop het Zeeheldenplein: de zeehonden die uitrusten op het strand vlakbij. Sinds de aanleg van de Westelijke Strekdam vinden de dieren er een zone waar de getijden minder impact hebben en waar ze kunnen uitrusten. De perfecte plek om zelf ook even te gaan zitten en je te laten verwonderen door de natuur. Een vrijwilligersteam monitort de populatie en bewaakt de veiligheid van de zeehonden. Hou afstand en verstoor hun rust niet. Als er niet te veel wind is, loont het de moeite om de hele dam af te wandelen. Merk op hoe de geluiden van de stad verstillen en uiteindelijk helemaal wegvallen naarmate je verder richting zee wandelt.
(c) Stad Oostende
Vanaf hier maak ik een ommetje langs het Ensorhuis in de Vlaanderenstraat 29. James Ensor woonde en werkte daar van 1917 tot aan zijn dood in 1949. Zijn moeder baatte er een souvenirwinkel uit en zijn atelier zat op de zolder. Je kan het kleine museum bezoeken of gewoon voor de gevel even stilstaan bij zijn verhaal. Ensor was een eigenzinnige figuur die zich onbegrepen voelde. Hij zocht rust en inspiratie in Oostende en maakte daar zijn latere werken met een mengeling van ironie en bevreemding. Reflecteer er even rond deze vragen: Welk masker draag jij? Waarom doe je dat? Wat heb je nodig om het af te zetten?

Flaneer verder op de dijk of trek het strand op. De wandeling gaat door naar de Koninklijke Gaanderijen, onderaan het iconische Thermae Palace. Van oudsher kwamen mensen naar Oostende voor de gezonde zeelucht. Ze waren op zoek naar rust en genezing. Het Thermae Palace, nog zo’n prestigeproject van Leopold II, werd opgetrokken in 1933 en trok horden toeristen naar de stad met de belofte van heling en herstel. Nog altijd is het een trekpleister. De Gaanderijen zelf – een soort zuilengalerij die je beschut tegen de zeewind – zijn toe aan hun langverwachte restauratie. Aan de andere kant van het ruiterstandbeeld van Leopold II liggen de eerste gaanderijen, een robuustere versie, die wel helemaal toegankelijk zijn.

Aan de achterkant van die gaanderijen zit de Japanse tuin, een plek waar ik vermoedelijk al een paar keer voorbij ben gewandeld zonder te beseffen wat daar ligt. De Japanse tuin is een bijna bevreemdende stilteplek. Het deel dat echt Japans is, is helaas niet toegankelijk. Als je richting zee kijkt, ontwaar je op de dijk een groot huis. Het is de voormalige koninklijke villa waarin nu Klief zit: een centrum gespecialiseerd in revalidatie en herstel.
(c) Toerisme Oostende

De laatste stop op deze ‘weg naar binnen’ is het Leopoldpark. Het park is een glooiend geheel van idyllische paadjes, vijvers, bruggetjes en banken. Midden in het groen ligt het bekende bloemenuurwerk met haar twee gigantische wijzers. Wat mij echter opvalt, is het kleine, bronzen klokje bovenaan dat uurwerk. Het blijkt uit de Peperbusse te komen, de Sint-Pieterstoren op het begin van deze wandelroute. Ik blijf nog even hangen in het park om te luisteren naar het rustgevende gekletter van de vijverfonteinen en vervolg daarna mijn weg terug naar het station. De vijf vissersvrouwen zitten er nog onbewogen te wachten.

Je kan de route wandelen als een lus van en naar het station en dan stap je ongeveer 6,5 km. Een andere optie is om de route in te korten tot 4,3 km door het Leopoldpark over te slaan en de tram terug te nemen aan de Japanse tuin naar het station.
Bron: Ruth Desmit, www.otheo.be
